1. plant de boom best zo snel mogelijk

Wanneer je bomen en/of struiken hebt opgehaald, kan je het plantgoed best dezelfde dag nog planten. Als je hiervoor geen tijd hebt, moet je de bomen/struiken tijdelijk op een andere plaats inkuilen in de grond (of in een grote hoop bladeren) zodat de wortels niet kunnen uitdrogen.

2. kies een geschikte plantplaats

Zorg ervoor dat je een plantplaats uitkiest in je tuin waar de boom voldoende ruimte heeft om uit te groeien. Als je meerdere bomen/struiken kocht, plant deze dan zeker niet te dicht bij elkaar. Laat minstens zes meter tussen verschillende hoogstammen, zodat ze een mooie kruin kunnen ontwikkelen. Kijk zeker nog eens naar de planteigenschappen en -vereisten van je boom en kies vervolgens voor een zonnige of schaduwrijke plaats. Bestelde je bomen bij de gemeente Kapellen bij de boomactie, dan staat alle belangrijke informatie in Info Kapellen

3. maak de plantput voldoende groot

Zorg ervoor dat de plantput die je uitgraaft voldoende groot is, zodat alle wortels er in uitgespreid kunnen worden. Ze mogen niet gedraaid zitten of aan de buitenzijde van de plantput omhoog wijzen. Als de wortels niet in de plantput passen, maak dan de put groter en snoei zeker niet aan de wortels!

4. plant de boom niet te diep

De plantput mag maar net zo diep zijn dat bij het aanplanten de wortelhals net boven het maaiveld zit. Het gebeurt maar al te vaak dat een deel van de stam mee onder de grond wordt gestopt bij het aanplanten en dit kan zeer nadelig zijn voor de boom.

Best is om de onderkant van de plantput een beetje los te spitten zodat de bodem goed doorwortelbaar wordt. Het is beter om de boom vijf centimeter te hoog te planten dan te diep, want na de aanplanting zakt de boom nog enkele centimeters.

5. druk de grond niet te hard aan

Bij het opvullen van de plantput met aarde kan je best de boom licht op en neer schudden zodat de losse grond zich goed spreidt tussen de wortels en er geen grote luchtholtes ontstaan. Eenmaal het plantgat is opgevuld, moet de grond worden aangedrukt. Je mag zeker niet té hard stampen op de aarde, anders verdicht de bodem te sterk en wordt de wortelgroei bemoeilijkt. Het volstaat om de grond aan te drukken met de vlakke voet, met de top van de voet gericht naar de stam.

6. compost best bovenaan aanbrengen

Wanneer de grond in je tuin niet van goede kwaliteit is, dan kan je de grond uit de plantput tot maximaal 50% vermengen met goede, rijkere aarde.

Het is beter om geen organisch materiaal of compost te mengen onder aarde uit de plantput, om de zuurstofvoorziening niet in het gedrang te brengen. Als je toch wil bijmesten, kan je beter een dun laagje compost aanbrengen bovenop (niet tot tegen de stam).

7. regelmatig water geven

Na het aanplanten moet je de boom zeer regelmatig water te geven, en zeker in droge periodes. Watergebrek is één van de hoofdoorzaken van het afsterven van jonge bomen en struiken. Na één of twee groeiseizoenen heeft de boom voldoende grond doorworteld om zelf te voorzien in zijn vochtbehoefte.

8. boom niet meteen snoeien

Correctiesnoei bij de aanplanting is in principe niet nodig. Bij de aanplant zal de boom immers al zijn energie en reserves nodig hebben om de shock van het planten te doorstaan. Enkel takken die door het transport beschadigd zouden zijn, kunnen gesnoeid worden. Verder is het beter om te wachten met snoeien tot de boom door een normale scheutlengte aangeeft dat hij goed is aangeslagen. 

9. boompalen ter verankering

Het is aangewezen om de boom met boompalen te verankeren tot de wortels voldoende verankerd zijn in de bodem om de stabiliteit te waarborgen. Gebruik best één tot drie korte boompalen (60 centimeter boven de grond) die u op een 30-tal centimeters van de stam plaatst. Door deze korte boompalen heeft de boom nog voldoende bewegingsvrijheid en kan hij trekwortels ontwikkelen bij windbelasting. De boom zal zo beter en sneller wortelen, en wordt minder gevoelig voor windworp.

Voor het aanbinden van de boom aan de boompalen gebruikt je best rubber of kokosband. Het aanbinden moet voldoende strak zijn om de stabiliteit te verzekeren, maar ook niet té strak zodat op termijn ook geen insnoering kan optreden.

Na 2 à 3 jaar mag je de boompalen verwijderen.

10. verzorg je boom

Geef je boom de eerste jaren na aanplanting de nodige aandacht en verzorging: water, verankering, begeleidingssnoei, extra bemesting,… Enkel zo geef je de boom alle kansen om goed te ontwikkelen. Als de boom na een volledig plantseizoen toch niet lijkt aan te slagen, kan het zijn dat de standplaats niet geschikt is voor de boom.